Hoofdstuk 1 van 10
Bezig

Hoofdstuk 1: Het instellen van meerderjarigenbewind

NBBI Academy 22 april 2020

1. Wanneer in één verzoekschrift instelling van zowel bewind als mentorschap wordt gevraagd, zal één keer griffierecht worden berekend. Datzelfde geldt wanneer in één verzoekschrift bewind ten behoeve van twee echtelieden of daarmee gelijk te stellen partners wordt gevraagd.
Wanneer het verzoek door een rechtspersoon wordt gedaan (bijvoorbeeld de instelling waar betrokkene verblijft) wordt het griffierecht voor natuurlijke personen in rekening gebracht.

2. Ter beoordeling van de noodzaak en de omvang van het bewind is uitgangspunt dat verzoekers, betrokkene en belanghebbenden worden gehoord, zo nodig op de verblijfplaats van betrokkene. Hoewel artikel 800 Rv ruimte biedt om het verzoek aanstonds op de stukken toe te wijzen, wordt aanbevolen om daarvan in beginsel geen gebruik te maken.

In de wet is bepaald welke familieleden als belanghebbenden worden aangemerkt. De belanghebbenden moeten de gelegenheid krijgen om zich over het verzoek uit te spreken. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan de kantonrechter hier van afwijken. De betrokkene zal in het verzoekschrift moeten motiveren waarom hij/zij niet wil dat zijn/haar familie bij de behandeling van het verzoek wordt betrokken. De kantonrechter zal in de regel alleen afzien van het horen van belanghebbenden als de betrokkene in staat is om zijn/haar wil te bepalen en de voorgestelde bewindvoerder een onafhankelijke, professionele bewindvoerder is.

Om te toetsen of zich een van de gronden voor onderbewindstelling voordoet, als bedoeld in artikel 1:431, eerste lid, BW, is op zichzelf een deskundigenverklaring niet vereist. Een deskundigenverklaring is nuttig als deze helderheid verschaft over datgene waarvan de kantonrechter zich moet vergewissen, en tevens inzicht biedt in het verwachte verloop van de financiële situatie, de mentale situatie of het ziektebeeld.

Tot uitgangspunt wordt genomen dat de kantonrechter zich ervan vergewist of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene in staat is om toestemming te geven aan de bewindvoerder voor bepaalde rechtshandelingen die anders slechts met machtiging van de kantonrechter kunnen worden verricht en om de door de bewindvoerder af te leggen rekening en verantwoording te begrijpen en beoordelen. Indien hiervan naar het oordeel van de kantonrechter sprake is, kan dit worden vermeld in de beschikking.

3. Stukken waaruit de medische situatie van betrokkene kan blijken, zoals bijvoorbeeld de CIZ-indicatie, die als bijlage bij een verzoekschrift tot curatele, bewind of mentorschap zijn gevoegd, worden niet doorgestuurd naar de belanghebbenden in de zin van artikel 798 Rv. Indien de betrokkene geen toestemming heeft gegeven om de medische stukken aan belanghebbenden te verstrekken of daartoe niet in staat is en de belanghebbende aangeeft dat hij een bijzonder belang heeft om de medische stukken in te zien, neemt de kantonrechter een beslissing over het al dan niet verstrekken van deze stukken aan de belanghebbende. Daarbij zal het belang van belanghebbende bij een eerlijk proces worden afgewogen tegen het belang van betrokkene bij bescherming van privacy.

4. Het uitspreken van een beschermingsmaatregel, zoals bewind, beperkt de rechten van de betrokkene. Daarvoor moeten gronden aanwezig zijn. Het bewind dient niet verder te gaan dan ter bescherming van de betrokkene nodig is. Bij het horen van verzoekers, betrokkene en belanghebbenden kan blijken dat de omvang van het bewind beperkt kan blijven tot een of meer goederen, bijvoorbeeld de echtelijke woning of een spaarrekening. De kantonrechter kan ook ambtshalve ingrijpen in bestaande bewinden, die meer of minder omvatten dan noodzakelijk is, via artikel 1:433 lid 2 BW.

De kantonrechter treedt terughoudend op met het uitspreken van curatele, bewind of mentorschap als de betrokkene in een levenstestament regelingen heeft getroffen op dit vlak.

5. Een beschermingsbewind uitgesproken wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden (artikel 1:431, eerste lid, aanhef en onder b, BW) dient ingevolge artikel 1:391, eerste lid, BW gepubliceerd te worden in het Centraal Curatele en Bewindsregister (CCBR). Onder problematische schuldensituatie wordt verstaan dat redelijkerwijs is te voorzien dat de betrokkene niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, of hij heeft opgehouden te betalen. Het bestaan van een enkele betalingsachterstand die naar verwachting binnen afzienbare tijd kan worden ingelost valt hier dus niet onder.

In beschermingsbewinden, anders dan op grond van verkwisting of problematische schulden, kan (op verzoek of ambtshalve) het bewind gepubliceerd worden. De betrokkene zal in de gelegenheid moeten worden gesteld om zich hierover uit te laten. Indien betrokkene zich tegen publicatie van het bewind verzet, zal de kantonrechter een afweging moeten maken tussen het belang van bescherming van het vermogen en het belang van betrokkene bij bescherming van privacy. Het verdient aanbeveling dat de bewindvoerder in het CCBR controleert of het bewind inderdaad gepubliceerd is, om van deze publicatie een print te maken en die in zijn dossier te bewaren. De gegevens in het CCBR blijven beperkt openbaar toegankelijk. Ook na de opheffing van het bewind kan het nodig zijn om aan te tonen dat een tijdens het bewind verrichte rechtshandeling ongeldig is en niet kan worden verhaald op het (destijds onder bewind staande) vermogen van betrokkene.

6. Ingevolge artikel 1:435, derde lid, BW zal de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene inzake de persoon van de te benoemen bewindvoerder in beginsel worden gevolgd. Dit kan ook een professionele bewindvoerder zijn. Op grond van artikel 1:435, vierde lid, BW heeft voor het overige steeds een natuurlijk persoon uit de directe familie of omgeving van de betrokkene de voorkeur bij de benoeming tot bewindvoerder. Afwijking van deze wettelijke voorkeursregeling dient in de beschikking te worden gemotiveerd.

7. Indien twee bewindvoerders worden benoemd kunnen zij de werkzaamheden samen, maar ook zelfstandig verrichten (artikel 1:437, tweede lid, BW). Wel dienen zij allebei te tekenen voor de juistheid van de boedelbeschrijving en de (eind-)rekening en verantwoording. Is de kantonrechter gelet op hun achtergrond van oordeel dat twee te benoemen bewindvoerders alleen gezamenlijk hun werkzaamheden moeten kunnen verrichten, dan dient deze beperking uitdrukkelijk in het dictum van de beschikking te worden opgenomen. Hetzelfde geldt als de kantonrechter bepaalt dat de ene bewindvoerder bij uitsluiting van de andere bewindvoerder een bepaalde taak verricht. De kantonrechter kan na overleg met de bewindvoerders bepalen dat zij voor de kantonrechter met één brief bereikbaar zijn op het adres van één van beiden.